Karel Appel (1921-2006) zei in een interview naar aanleiding van de spraakmakende documentaire die Jan Vrijman in 1961 van hem maakte. ‘Ik rotzooi maar wat an’. Het is misschien wel de beroemdste uitspraak uit de Nederlandse geschiedenis van de moderne kunst.  De Amsterdamse kapperszoon Karel Appel wordt erin geportretteerd als een wild schildersbeest, een imago dat zijn leven lang aan hem blijft kleven.

Karel Appel is in 1948 nauw betrokken bij de oprichting van Cobra, genoemd naar de drie steden waar de kunstenaars, dichters en schrijvers vandaan kwamen: Kopenhagen, Brussel en Amsterdam. Hoewel Cobra als beweging slechts kort heeft bestaan – in 1951 heft de groep zich met een afscheidstentoonstelling in Luik op – dreunt de invloed van Cobra op andere Europese kunstenaars nog lang na. Appel is een van de succesvolste Cobra-kunstenaars. Zijn leven lang schuwt hij het experiment niet. Behalve schilder, is Karel Appel ook beeldhouwer en dichter.

Met open blik bekijkt en bewondert hij primitieve kunst, outsider kunst en kindertekeningen. Hij is geraakt door de onbevangenheid van kinderen. Appel schildert expressief en onstuimig, maar dat betekent niet – in weerwil van zijn illustere uitspraak – dat hij zomaar wat doet. Want hoewel Karel Appel nog steeds voor velen  synoniem staat voor het smijten met verf, zijn zijn schilderijen weldoordachte composities met heldere lijnen en uitbundige kleuren. En al oogt het  expressionistische werk abstract, er zijn altijd figuratieve elementen aanwezig. Vaak van vogels, dieren of, zoals op het hier getoonde werk Twee meisjes, van vrouwen. Deze gouache met pastel en olieverf op papier toont de expressieve kracht van Appel; het wit versterkt de rest van de kleuren. Opmerkelijk genoeg duurt  het vrij lang voor hij in eigen land gewaardeerd wordt. Pas in 1968 krijgt hij zijn eerste solotentoonstelling in het Stedelijk Museum in  Amsterdam. Maar dan woont Appel al lang niet meer in het in zijn ogen benepen Nederland. In Parijs voelt hij zich in meer thuis. Later heeft hij ateliers in onder meer Monaco, New York en op het Toscaanse platteland. Karel Appel overlijdt in Zürich en wordt begraven op het beroemde kerkhof Père-Lachaise in Parijs.