Hendrik Johannes (‘J.H.’) Weissenbruch belangrijk schilder Haagse School

Hendrik Johannes Weissenbruch stamt uit een Haagse familie waar kunst een grote rol speelt. Zijn vader verzamelt kunst en is hobbyschilder en zijn neef Jan schildert stadsgezichten. Al op jonge
leeftijd gaat Weissenbruch naar het Mauritshuis waar hij zeventiende eeuwse schilderijen van bijvoorbeeld Vermeer en Van Ruysdael na schildert.

Hendrik Johannes Weissenbruch behoort tot de belangrijkste kunstenaars van de Haagse School. Hij vindt zijn inspiratie vooral in de vrije natuur. Hij maakt ter plekke snelle houtskoolschetsen die, eenmaal weer in zijn atelier, de basis vormen voor zijn schilderijen en aquarellen. Als geen ander weet Weissenbruch de sfeer van het vlakke polderland in verf om te zetten.

Het aantrekkelijke paneeltje Ruiter op een jaagpad bij Noorden is een typisch Hollands tafereel. Weissenbruch heeft het meerdere malen geschilderd. Ook is er een aquarel van. Op een zompige dijk in Noorden, een gehucht aan de Nieuwkoopse Plassen, rijdt een boer op zijn paard. In de verte zien we een molen. Vanaf 1882 vertoeft Hendrik Johannes Weissenbruch, zoals veel andere schilders, in de zomerperiode in Noorden. Deze waterrijke omgeving is voor hem een belangrijke bron van inspiratie. Hij voelt zich er thuis, ook artistiek gezien. En vanaf dat moment weten steeds meer mensen zijn werk te waarderen. Opvallend kenmerk van dit schilderij is het lage standpunt waardoor de wervelende, bijna onheilspellende wolken alle aandacht opeisen. Weissenbruch besteedt veel aandacht aan de lucht en het licht. Zelf heeft hij daarover gezegd: ‘De lucht op een schilderij, dat is een ding! Een hoofdzaak! Lucht en licht zijn de grote tovenaars. De lucht bepaalt het schilderij. Schilders kunnen nooit genoeg naar de lucht kijken.’

Haagse School aquarellen

Als een zelfstandig genre – en niet als voorstudie voor een schilderij – is de aquarel, de schildering met waterverf, pas rond 1800 tot grote bloei gekomen, aanvankelijk in Engeland, later ook in Frankrijk en elders. Aquarellen lagen goed in de markt, ze waren goedkoper dan schilderijen, hadden meestal dezelfde thema’s en waren ook mooi. In Nederland had de Haagse School een groot aandeel in bloei en succes van deze techniek. Op initiatief van onder andere Anton Mauve, Hendrik Willem Mesdag, Jozef Israels, Blommers en Johannes Bosboom werd er in Den Haag een apart gezelschap opgericht, de Hollandsche Teeken Maatschappij die ten doel had de bevordering van de aquarel als zelfstandig medium en die bijna vijftig jaar heeft bestaan. Veel Nederlandse aquarellisten presenteerden zich in 1889 gezamenlijk op de Wereldtentoonstelling in Parijs en hadden daar veel succes. Maar de aquarellen van de Haagse School werden vooral verzameld in Angelsaksische landen als Groot-Brittannië, Canada en de Verenigde Staten.

Een aquarel veronderstelt een grote trefzekerheid bij de maker; eenmaal gemaakte fouten kunnen niet zo gemakkelijk hersteld worden als op een olieverfschilderij. Velen werkten dan ook in het begin of voor altijd met een voortekening en / of met verf met meer dekking. Een grootmeester van het genre als J.H. Weissenbruch werkte met niet-dekkende verf en zonder voortekening, dus met maximale spontaniteit. Met zijn talent en ervaring bereikte hij verfijnde effecten en kon hij toveren met tinten. In iconografisch opzicht kozen de aquarellisten van de Haagse School dezelfde specialisaties als in hun schilderwerk. Mauve had een voorliefde voor schapen op de heide en andere landelijke scènes; Blommers aquarelleerde bij voorkeur strandtaferelen met spelende kinderen en werkende vrouwen en armoedige interieurs; Bosboom excelleerde in kerkinterieurs en historische taferelen, Breitner in paarden, huzaren en Amsterdamse stadsgezichten, Mesdag in zee- en strandgezichten en Weissenbruch in duin- en polderlandschappen.