Schilderijen Gerrit Benner

Gerrit Benner wordt beschouwd als de belangrijkste naoorlogse Friese schilder. Hij wordt geboren in Leeuwarden en groeit als enig kind op een streng katholiek gezin. Gerrit Benner heeft al op jonge leeftijd ambitie om schilder te worden. Op aanraden van zijn moeder gaat hij naar de huisschilderafdeling op de plaatselijke ambachtsschool. In het cultureel geïsoleerde Friesland is de jonge Gerrit Benner op zichzelf aangewezen en ontwikkelt zich op eigen kracht. Hij schildert aanvankelijk in een realistische stijl met ingetogen kleuren.

In 1918 trouwt Gerrit Benner met Geesje Schaap en samen beginnen ze een winkel met luxe artikelen. Na een verhuizing naar een groter pand gaat de zaak in 1937 failliet. Gerrit Benner wordt depressief en verbrandt al zijn tot dan toe gemaakte werk.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog duikt Gerrit Benner met zijn gezin onder in Eernewoude, omdat hij niet wil tekenen voor de Kultuurkamer. Daar komt hij in contact met de schilder Wim Kersten, die later conservator van het Stedelijk museum in Amsterdam zal worden.

Na de oorlog logeert Gerrit Benner in het huis van een collega schilder op de Grote Markt in Groningen. Hij krijgt daar een map onder ogen van de Groninger drukker Hendrik Nicolaas Werkman, die in 1945 is gefusilleerd door de Duitsers. De sprookjesachtige druksels zijn een openbaring voor Benner. Hij schetst mensen tussen bomen en tekent met dunnen lijnen paarden in allerlei variaties.

Na 1945 begint de carrière van Gerrit Benner echt te bloeien. In 1946 exposeert hij in de Martelgang in Groningen. Dat zelfde jaar maken Karel Appel en Corneille een reis naar Leeuwarden om Gerrit Benner te ontmoeten. Met name Appel is onder de indruk van zijn werk.

Als Karel Appel naar Parijs verhuist, besluit Benner’s zoon Henk het atelier van Appel in Amsterdam voor zijn vader te huren. Gerrit Benner wordt, dankzij zijn contacten met Wim Kersten en Willem Sandberg van het Stedelijk museum, al snel in de Amsterdamse kunstwereld opgenomen. De invloeden van de COBRA schilders worden zichtbaar: zijn werk oogt expressiever en de verf wordt dikker aangebracht dan voorheen. Hij ontwikkelt een lyrisch expressionistische schilderstijl waarin zijn verbondenheid met het Friese landschap zichtbaar is.

Met een solo tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1954 breekt Gerrit Benner definitief door. Een jaar later krijgt Benner een prijs op de Biennale van Sao Paolo voor het schilderij ‘Vogels en bloemen’. Via groepstentoonstellingen reist zijn werk naar Noord- en Zuid Amerika en naar diverse steden in Europa. In 1960 organiseert de Städtische Galerie in Bochum een grote tentoonstelling over Gerrit Benner. Een definitieve internationale doorbraak blijft echter achterwege.

Na 1970 gaat de gezondheid van Gerrit Benner achteruit. Hij trekt zich terug in het vakantiehuis in Gaasterland en overlijdt daar in 1981.

Gerrit Benner was een solist die zich niet bij een groep wilde aansluiten. Het Friese landschap met zijn vergezichten, het water, koeien, paarden en boerderijen bleven zijn leven lang een bron van inspiratie. Zijn gouaches en olieverfschilderijen zijn opgezet met vier of vijf kleuren waarin bijna altijd herkenbare vormen zichtbaar zijn. Gerrit Benner schilderde met een breed palet en wilde vooral zijn bewondering voor de schoonheid van de natuur tot uitdrukking brengen.

Werk van Gerrit Benner bevindt zich in alle belangrijke Nederlandse musea.

Schilderijen Eugene Brands

Eugene Brands nam in 1946 deel aan de groepstentoonstelling ‘Jonge Schilders’ in het Stedelijk museum te Amsterdam. Zijn vernieuwende werk maakte indruk op de andere exposanten en Eugene Brands werd overgehaald om zich aan te sluiten bij de Experimentele Groep. Eugene brands onderhield de contacten met het Stedelijk museum en dit leidde tot de ‘Internationale tentoonstelling van experimentele kunst’ in 1949.

Intussen was ook de COBRA beweging opgezet door schilders als Constant Nieuwenhuis, Karel Appel en Corneille en de experimentele groep ging daar in op. De grote groepstentoonstelling in het Stedelijk was feitelijk de eerste openbare presentatie van COBRA en diverse werken van Eugene Brands waren er te zien. Zijn werk uit die periode vertoonde verwantschap met het sensitieve abstracte werk van Piet Ouborg. Ook had Eugene Brands belangstelling in primitieve volkskunst, waarvan met name de muziek hem aansprak. De magische elementen van deze culturen trachtte hij in zijn werk te verwerken.

Het vernieuwende werk van de COBRA schilders werd niet begrepen en wekte grote woede op bij het publiek en pers. Na onenigheid over de tentoonstelling verliet Eugene Brands de COBRA groep en trok zich terug in zijn schildersatelier. Dit zelfgekozen isolement duurde ongeveer tien jaar.

In deze periode maakte hij werk dat geïnspireerd was op kindertekeningen. De spontane tekeningen van zijn jonge dochter Eugenie fascineerden Brands en vormden een dankbare bron van inspiratie. De spontane expressie waarmee hij de magische wereld van een kind uitbeeldt was een typische COBRA eigenschap. Ook werd hij beïnvloed door het werk van Paul Klee en Marc Chagall. De kinderlijke voorstellingen van Eugene Brands kregen geleidelijk een sprookjesachtig sfeer, waarin mensen of dingen vliegen of zweven. Mooie kleine werken, meestal olie op papier en gouache, waren het resultaat.

Onder invloed van het Amerikaans abstract expressionisme keert rond 1960 de abstractie terug in het werk van Eugene Brands. Zijn doeken werden groter en de manier van schilderen wolliger en vegeriger. Het mysterie van het universum, een centraal thema in zijn werk, was prominent aanwezig. Hij begon zinderende kleurvlakken in zachte poëtische kleuren te schilderen, een ondringbare wattige substantie.

Vanaf 1967 werkte Eugene Brands als docent vrije schilderijen aan de Koninklijke Academie voor Kunst in Den Bosch. Uit deze periode stammen de geabstraheerde landschappen met ‘koeienvlekken’ en wolkenformaties, die onder andere waren geïnspireerd op de landschappen die Brands vanuit de trein zag.

Eugene Brands heeft  tot op hoge leeftijd gewerkt in Amsterdam, Nunspeet en later in Zuid Frankrijk. Zijn werk bevindt zich in talrijke particuliere en museale collecties.

Schilderijen Jan Altink te koop

Jan Altink wordt gerekend tot de belangrijkste schilders van de Groninger Ploeg. Hij was mederichter en de naamgever van deze in 1918 opgerichte expressionistische beweging.

Jan Altink genoot zijn opleiding aan de Academie Minerva in Groningen. Hij haalde de akte m.o. tekenen en ging in 1912 als leraar aan de slag op de avondvakteekenschool in Middelstum.

In zijn vroege periode schilderde Jan Altink veel buiten op aanraden van zijn Minerva leraar FH Bach. Het grijze palet van zijn leermeester klinkt door in het werk van Jan Altink. Na 1920 worden invloeden van Vincent van Gogh ook zichtbaar in het werk van Altink, die dan in een gematigde expressionistische stijl werkt.

Via Jan Wiegers, die in Davos in contact was gekomen met Ernst Ludwig Kirchner, leerde Jan Altink het Duits expressionisme kennen. Omstreeks 1923 zijn daar de eerste resultaten van te zien: Altink schildert met een grillige penseelvoering en werkt met een contrastrijk palet en een vlakmatige indeling. Het felle kleurgebruik is kenmerken voor deze fase in Jan Altink’s schilderkunst, die kan worden beschouwd als het hoogtepunt in zijn oeuvre.

In deze periode werkte Jan Altink, evenals andere Ploegleden, vaak met wasverf. Dat is een mengsel van olieverf, bijenwas en benzine dat dun aangebracht kon worden. Deze werkwijze was ook aan Kirchner ontleent.

Vanaf 1926 neemt Jan Altink afstand van zijn Kirchneriaanse schilderwijze, het expressionistische palet verdwijnt geleidelijk in zijn schilderkunst. Deze kentering is zowel in zijn portretten als landschappen waarneembaar. Hij schildert meer impressionistisch en werkt met meer op elkaar afgestemde lichte kleuren. In deze periode maakt Jan Altink diverse werken bij Blauwborgje en het Reitdiep, waarin mens en dier vaak afwezig zijn. De wat ijl aandoende werken doen denken aan die van collega Ploegschilder Job Hansen, met wie Altink in deze periode veel optrok.

In 1930 trouwt Jan Altink met Nelly Hubbeling. Vincent van Gogh is vanaf de dertiger jaren wederom een belangrijke bron van inspiratie. Jan Altink werkt in die periode noest door in het Groninger land en Drenthe. Ook ondernam hij verschillende reizen naar het buitenland, onder andere naar Zwitserland en Frankrijk.

In zijn latere periode viel de schilder soms in herhaling en werkte hij traditioneler, maar er ontstonden ook prachtige werken waaruit zijn bewondering voor het Groninger landschap tot uiting kwam. In de vijftiger jaren keerden de expressionistische kleuren weer enigszins terug in zijn werk.

Naast landschappen schilderde Jan Altink ook stillevens. Om extra inkomsten te verwerven, werkte hij ook als reclametekenaar en portrettist. Een hoogtepunt op dat laatste vlak was de opdracht om een statieportret van Koningin Juliana te maken in 1949. Jan Altink bleef tot aan zijn dood actief schilderen, het was zijn lust en zijn leven. Hij zij daar zelf eens over: als ik niet schilder, is het alsof ik nergens over kan praten.

Jan Atink was een betrokken lid van de Groninger Ploeg en zou diverse functies vervullen, waaronder secretaris, penningmeester en jurylid voor Ploegtentoonstellingen.

Werken van Jan Altink bevinden zich in het Groninger museum, Stedelijk museum Amsterdam en museum Belvedere in Heerenveen.

Schilderijen Louis Apol

Louis Apol, geboren in Den Haag, begon al op vroege leeftijd te schilderen. Louis Apol was vijftien jaar oud toen hij als leerling bij de Haagse landschapschilder Johannes Franciscus Hoppenbrouwers kwam. Na het overlijden van Hoppenbrouwers ging Louis Apol in de leer bij de veeschilder Pieter Stortenbeker en daarnaast was hij leerling aan de Haagse Academie.

In 1869 deed Louis Apol voor het eerst mee op de tentoonstelling van Levende Meesters. Twee jaar later was Louis Apol de jongste schilder ooit die een koninklijke subsidie kreeg en in de jaren daarop was hij zeer succesvol op tentoonstellingen. Al snel kon hij voor een groot schilderij tweeduizend gulden of meer vragen.

Al vroeg in zijn loopbaan legde Louis Apol zich toe op het schilderen van wintergezichten. Hij sloot daarmee aan bij de zeventiende eeuwse Nederlandse traditie met schilders als Hendrik Averamp en Art van der Neer. In de negentiende eeuw waren Andreas Schelfhout en vader en zoon Spohler bedreven in het verbeelden van de Hollandse winters met schaatsers op bevroren vaarten en rivieren.

Louis Apol benaderde het onderwerp anders. Hij koos voor het uitbeelden van de koude aspecten van het landschap in plaats van het knusse gebruik ervan. Zo werd hij de eerste kunstenaar in ons land die zich richtte op landschappelijke stemmingsbeelden met kou, weidsheid, verlatenheid en sneeuw. Hij ondernam zelfs een reis naar de Noordpool om zijn geliefde onderwerp te bestuderen. In 1880 kreeg Louis Apol de kans om met het schip de ‘Willem Barentsz’ mee op expeditie te gaan naar ‘Nova Zembla’. De honderden schetsen en studies die hij daar maakten vormden de basis voor diverse olieverfschilderijen. Jaren later maakte Louis Apol in opdracht het ‘Panorama Nova Zembla’, dat destijds door duizenden mensen werd bezocht in Amsterdam.

In zijn winterlandschappen met besneeuwde bossen en vaarten wist Louis Apol als geen ander een verstilde, vaak sprookjesachtige sfeer te scheppen. Hij maakte zijn schetsen en tekeningen veelal buiten en werkte die thuis zoveel mogelijk uit. Louis Apol dateerde lang niet al zijn schilderijen en aquarellen. In Apols werkwijze is echter wel een duidelijke ontwikkeling waar te nemen. Onder invloed van het opkomende impressionisme is hij losser gaan schilderen.

De prachtige winterimpressies van Louis Apol konden al snel in faam wedijveren met het werk van de wat oudere kunstenaars van de Haagse School. De verkoopboeken van het Parijse hoofdkantoor van kunsthandel Goupil tonen zijn brede populariteit bij verzamelaars en kunsthandels in zowel Nederland als Amerika, Duitsland en Groot Brittannië. Zowel koningin-moeder Emma als koningin Wilhelmina bezaten werk van Louis Apol. Door de grote belangstelling werd zijn werk al spoedig nagemaakt, ook tijdens zijn leven.

In 1872 werd een van zijn werken bekroond met de gouden medaille en in 1875 werd zijn ‘Januari avond in het bosch’ door de staat aangekocht voor het Rijksmuseum in Amsterdam. Toen Vincent van Gogh het schilderij daar eens zag hangen, was hij diep onder de indruk. Hij schreef erover: “Weet ge wel dat ik de dingen van Apol bijvoorbeeld, van wit op wit, dikwijls heel goed vind. Zijn zonsondergang in het Haagsche Bosch bijvoorbeeld, die in Amsterdam is. Waarachtig dat ding is weergaasch mooi”.

Werk van Louis Apol bevindt zich in vele Nederlandse musea en particuliere collecties in binnen- en buitenland.

Schilderijen Piet van der Hem

Piet van der Hem werd geboren in het Friese Wirdum. Hij werd op twaalfjarige leeftijd wees en verhuisde noodgedwongen naar zijn oom en tante in Leeuwarden. Na de Rijks-HBS vestigde Piet van der Hem zich in Amsterdam, waar hij studeerde aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid. Na het behalen van zijn akte middelbaar tekenen volgde Piet van der Hem een opleiding aan de Rijksacademie.

Een koninklijke subsidie maakte het Piet van der Hem mogelijk om in 1908 naar Parijs te gaan. Hij huurde samen met Frans Hoogerwaard een atelier aan de Rue Paul Fêval in Montmarte en trok erop uit om daar te gaan schilderen. Piet van der Hem werd met name gefascineerd door het Parijse uitgaansleven.

Piet van der Hem bezocht de kleine theaters in de buurt, of het Cirque Medrano op de boulevard. Ook op de promenoires der Moulin Rouge, Gaîté Rouchechouart en Folies Bergère maakte hij diverse schetsen. Hij schilderde bij voorkeur het mondaine uitgaanspubliek dat op het punt stond om het theater te bezoeken. Het waren dezelfde onderwerpen die zijn collega’s als Jan Sluijters en Leo Gestel schilderden. Piet van der Hem werd in één adem genoemd met deze grote vernieuwers in de Nederlandse schilderkunst en in deze periode ontstonden zijn beste werken.

Dit werd ook opgemerkt door de kunstcritici die zijn schilderijen vergeleken met die van Henri de Toulouse-Lautrec en Théophile Steinlen. Piet van der Hem’s afwijkende perspectief en ongewone afsnijdingen sloten aan bij de modernistische vormentaal van eerdergenoemde kunstenaars. Journalist Tom Schilperoort, die Piet Van der Hem in Parijs ontmoette, noemde hem ‘een kersverse uit Holland geïmporteerde aanwinst voor het artistiek-kosmopolitische leven van Butte Montmartre’.

Na terugkeer in Nederland schilderde Pieter van der Hem in de volksbuurten van Amsterdam om het straatleven weer te geven. Ook werkte hij in schilderachtige plaatsen als Volendam en Katwijk. Voor de eerste Wereldoorlog bezochte de reislustige Van der Hem diverse buitenlandse steden, waaronder Madrid, Rome, Sint Petersburg en Moskou.

Piet van der Hem vestigde zich in 1818 definitief in Den Haag. Hij behoorde op dat moment al niet meer tot de grote modernisten en legde zich toe op het schilderen van portretten. Dankzij zijn grote vakmanschap werd hij een bekende society schilder die vele bekenden vereeuwigde zoals ministers, leden van de koninklijke familie en de danseres Mata Hari. Hij maakte een huwelijksportret van prins Bernhard en Juliana in 1937 en een statieportret van de Koninklijke Familie in de jaren twintig. Naast het illustratiewerk schilderde Piet van der Hem ook landschappen, stadsgezichten, stillevens en jachtvoorstellingen.

Piet van der Hem zou ook bekendheid krijgen als illustrator van boeken (onder meer in de plaatjesalbums van boekenuitgever Haust) en kranten en als ontwerper van affiches. Ook maakte hij politieke prenten voor diverse kranten. Hij ging hiermee door tot zijn overlijden in 1961.

Verschillende Nederlandse musea hebben werk van Piet van der Hem in de collectie.

Schilderijen Henriette Ronner

Henriette Ronner legde zich op jonge leeftijd toe op het schilderen van dieren, al dan niet in een landschap. Henriette Ronner kreeg les van haar vader, de Brabantse schilder Josephus Augustus Knip. In 1848 werd ze als eerste vrouwelijk werkende lid toegelaten tot kunstenaarsvereniging Arti en Amicitiae. De band met Arti zou voor de rest van haar leven blijven bestaan.

In 1850 trouwde Henriette Ronner met Feico Ronner die voortaan haar zakelijke belangen zou behartigen en vestigde ze zich in Brussel waar ze haar verdere leven zou blijven wonen. Brussel ontwikkelde zich in die tijd snel en veel zakemensen trokken naar de stad. De burgerlijke elite interesseerden zich in kunst, waardoor de afzetmogelijkheden goed waren.

Henriette Ronner richtte zich meer op het schilderen van kleine huisdieren. Het afbeelden van groter vee lag haar niet zo. Geleidelijk aan nam de interactie tussen de dieren een prominentere rol in haar werk. De dieren figureren dan in menselijke scènes die humoristisch of sentimenteel van karakter zijn.

Omstreeks 1860 had Henriette Ronner een zekere reputatie opgebouwd en was drie keer onderscheiden met een medaille.

In de zeventiger jaren was haar reputatie definitief gevestigd. In deze periode ontstonden de klassiek geworden werken van Henriette Ronner waarin jonge katjes en hun moeders de hoofdrol spelen. An snel wist ze toen het grote publiek te bekoren met de natuurlijke bewegingen waarin ze de poezen weergaf, hun grappige uitdrukkingen en de prachtig weergegeven vachten. Haar fraai samengestelde tafereeltjes spelen zich meestal af in een intiem hoekje van een interieur.

Vaak worden jonge katjes weergegeven die spelen onder het toeziende oog van hun moeder. De omgeving waarin de dieren zich klimmend, stoeiend of dommelden bevinden, is bijna altijd een zorgvuldig afgewogen decor met elegante attributen. Deze kwamen bijna altijd uit het bezit van Henriette Ronner zelf of waren geleend van een antiquair. Onhandig en brutaal bewegen de jonge dieren zich dan op een schilderspalet, balanceren op een wereldbol of beklimmen een grote parasol.

Henriette Ronner voorzag haar schilderijen ook meestal van geestige titels, zoals bijvoorbeeld beginnelingen of wereldreizigers. In de meeste gevallen zijn die oorspronkelijke titels nu vergeten en vervangen door beschrijvende titels.

Na een zeer productief leven overleed Henriette Ronner in Brussel in 1909. Werk van haar is in bezit van grote musea in binnen-en buitenland.

Schilderijen Cornelis Vreedenburgh

Cornelis Vreedenburgh een veelzijdig landschapschilder

Cornelis Vreedenburgh werd in 1880 in Woerden geboren. Zijn vader had een goed lopend schildersbedrijf en werkte daarnaast als kunstschilder. Zo kwam Cornelis Vreedenburgh al op jonge leeftijd in aanraking met het schildersvak. Het hele gezin ging in de zomers op pad om samen te tekenen en schilderen in de vrije natuur. Hierdoor kreeg Cornelis Vreedenburgh de mogelijkheid zijn talent verder te ontplooien.

Cornelis Vreedenburgh ging niet, zoals zijn broers, naar de Tekenacademie maar kreeg les van zijn vader en werkte als huisschilder. In zijn vrije tijd trok Cornelis Vreedenburgh er samen met zijn leeftijdsgenoot en plaatsgenoot Leo Gestel op uit om de landschappen rondom Woerden te schilderen. Met hun eigen visie legden ze de natuur vast.

Als hij les krijgt van de landschapschilder Gerard Roermeester, komt Cornelis Vreedenburgh in contact met de Haagse School schilders en diens opvattingen. Hun manier van schilderen is een grote inspiratiebron voor hem. Hij krijgt al snel erkenning voor zijn werk. In 1904 ontvangt Cornelis Vreedenburgh een koninklijke subsidie, een jaar later won hij de Willink van Collenprijs bij kunstenaars genootschap ‘Arti et Amicitiae’, daarna nog twee keer een koninklijke subsidie. In 1907 koopt Koningin Emma zijn ingezonden werk Landschap met koeien.

Een belangrijk persoon in de ontwikkeling van Cornelis Vreedenburgh zijn carrière is de ontmoeting met de bekende landschapschilder W.B. Tholen. Zijn manier van schilderen en de liefde voor de natuur zijn van blijvende invloed geweest op Vreedenburgh. Cornelis Vreedenburgh was veel te vinden aan de Zuid-Hollandse plassen. Hier kon hij zijn geliefde onderwerp vast leggen en kwam hij in contact met andere landschapschilders.

In 1912 trouwt Cornelis Vreedenburgh met Marie Schotel. Zij is de dochter van de bekende zeeschilder J.C. Schotel en zelf ook schilderes. Ze verblijven korte tijd in Nunspeet en verhuizen in 1913 naar Hattem. Hier leert hij de bekende schilderes Jan Voerman senior en junior kennen die net als Vreedenburgh erop uit trekken om IJssellandschappen te schilderen.

In 1917 wil Cornelis Vreedenburgh liever dichterbij Amsterdam wonen en meer in contact komen met andere kunstenaars. Ze verhuizen naar Laren, een om dat moment levendig kunstenaarsdorp. Hier komen zijn prachtige impressionistische stadsgezichten van Amsterdam tot stand, die hem veel succes brachten. De levendigheid van de stad en gebouwen weet hij met de juiste lichtinval heel treffend weer te geven. In de haven van Amsterdam legt hij graag de bedrijvigheid vast.

Om zich verder te ontwikkelen maakt Vreedenburgh enkele reizen naar het buitenland. Vooral Zuid-Frankrijk is een geliefde plek om te schilderen. In Nederland trekt hij er liefst op uit om plasgezichten te maken en zonnige stadsgezichten.

In 1937 houdt Cornelis Vreedenburgh een solo tentoonstelling. Het is een groot succes en veel van zijn werken worden verkocht, waaronder twee aan koningin Wilhelmina.

Onder meer het Dordrechts Museum en het Singer Museum in Laren hebben werk van Cornelis Vreedenburgh in hun collectie.

Schilderijen Johannes Bosboom

Johannes Bosboom wordt beschouwd als de belangrijkste schilder van kerkinterieurs in de 19e eeuw.

Johannes Bosboom bleek al op jonge leeftijd over een groot tekentalent te beschikken en ging op viertienjarige leeftijd in de leer bij stadsgezichten schilder Bart van Hove. Datzelfde jaar werd Johannes Bosboom ook leerling aan de Haagse Tekenacademie.

In 1833 exposeerde Johannes Bosboom op de tentoonstelling van levende meesters met drie Haagse stadsgezichten, waaruit de invloed van zijn leermeester bleek. Na afsluiting van de Academie reisde Johannes Bosboom naar Düsseldorf, Keulen en Koblenz en maakte er veel tekeningen en schetsen. Bij terugkomst vestigde Johannes Bosboom zich als zelfstandig schilder aan de Dunne Bierkade in Den Haag.

In zijn leertijd bij Van Hove werkte Johannes Bosboom mee aan het schilderen van toneeldecors. Op deze wijze deed hij kennis op van de architectuur en bouwstijlen van andere landen. Vanuit zijn interesse voor architectuur van gebouwen en decoraties in het bijzonder, ontwikkelde hij belangstelling voor kerkinterieurs. De waardering die hij kreeg voor zijn kerkinterieurs waren een stimulans om zich verder in het genre te specialiseren.

Aanvankelijk schilderde Johannes Bosboom, naar zijn zeventiende eeuwse voorganger Emanuel de Witte, in een gedetailleerde en tekenachtige techniek. Hij zocht vooral naar de juiste visuele weergave van het kerkinterieur. De sfeer, de hoogte en diepte van de ruimte moesten zo optimaal mogelijk worden weergegeven. In navolging van zijn leermeester Van Hove bouwde Johannes Bosboom de kerkruimte op uit een voorgrond-middenplan en achtergrond. De stoffering van het schip en de zijbeuken moesten het opgeroepen perspectief benadrukken.

Later legde Johannes Bosboom, dan beïnvloed door Rembrandt, zich meer toe op het met breed penseel weergeven van licht- en kleurimpressies van het interieur. Het belang van de architectuur werd naar de achtergrond verdrongen in het voordeel van de atmosfeer. Daarmee gaf Johannes Bosboom zijn kerkinterieurs een heel andere richting dan de zeventiende-eeuwse schilders hadden gedaan. In de vroege olieverf schilderijen van Synagogen is de lossere penseelvoering voor het eerst zichtbaar. Later legt Johannes Bosboom zich ook in de andere kerkinterieurs steeds meer toe op deze techniek.

Met zijn impressionistische benadering stond Johannes Bosboom aan de wieg van ontwikkelingen die zouden leiden tot de Haagse School. Dat het werk van zijn zeventiende eeuwse voorgangers nooit helemaal zijn gedachten was, blijkt uit de kleding uit de gouden eeuw die de figuren op bijna al zijn voorstellingen dragen.

Als Johannes Bosboom succes had met een bepaald onderwerp, herhaalde hij het soms. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillende versies bekend van de Bakenesserkerk in Haarlem, de St. Laurenskerk in Alkmaar en een orgelspelende monnik. De stoffage was echter nooit helemaal hetzelfde.

Johannes Bosboom verwierf als schilder en aquarellist van kerkinterieurs een grote internationale bekendheid. Vele musea in binnen- en buitenland hebben werk van deze schilder in het bezit.

Schilderijen Willy Sluiter

Willy Sluiter was een uitzonderlijk tekentalent die als geen ander mensen in al hun doen en laten kon typeren. De notariszoon uit Dordrecht bezat die gave al op jonge leeftijd en schreef zich op advies van schilder Bernard Blommers in voor de Rotterdamse academie. Daarna volgde Willy Sluiter nog enkele cursussen op de Haagse Academie, waar hij al een atelier had.

Willy Sluiter was een aimabele man die gebruik maakte van zijn sociale vaardigheden. Hij werd in 1893 lid van het Dordtse kunstgenootschap Pictura en was tevens aangesloten bij het Haagse Pulchri Studio. Het lidmaatschap bij beide verenigingen was belangrijk voor de artistieke ontwikkeling van Willy Sluiter, want hij maakte er kennis met het werk van de Haagse School schilders. In zijn vroege landschappen en zeegezichten is hun invloed goed zichtbaar.

In 1901 vestigt Willy Sluiter zich met zijn kersverse echtgenote in Katwijk, waar hij aan de kust een villa had laten bouwen. Willy Sluiter schildert er veel strand- en zeegezichten met bomschuiten, schelpenvissers en vissersvolk. De onderwerpen sluiten aan bij de Haagse School, maar Willy Sluiter schildert in een lichter palet en laat de menselijke activiteit meer naar voren komen. Hij is heel actief binnen het culturele leven in Katwijk en organiseert samen met o.a. Jan Toorop en Gerhard Morgenstjerne Munthe in 1902 de Visscherij- en Schilderijententoonstelling.

Omstreeks 1910 verhuist Willy Sluiter naar het Gooise kunstenaarsdorp Laren. Ook daar speelt hij een prominente rol in het culturele leven. Vanuit Laren bezoekt Sluiter regelmatig het pittoreske vissersdorp Volendam. Willy Sluiter is een graag geziene gast bij hotel Spaander, waar kunstenaars uit binnen- en buitenland logeren. Hij schildert er op kermissen, feesten en legt ook de lokale bevolking in klederdracht vast. Een bekend model is de Volendamse Hille Butter, die hij meerder keren zou portretteren.

In 1916 vestigt het gezin Sluiter zich in Den Haag. Willy Sluiter is inmiddels een gevestigde kunstenaar en een bekend illustrator van boeken, affiches en kalenders. Hij is een gevraagde portrettist, verkeert graag in de gegoede Haagse kringen en legt het mondaine badleven langs de Scheveningse kust veelvuldig vast. Ook portretteert hij verschillende keren leden van de koninklijke familie. Tijdens zijn vele reizen schildert Willy Sluiter graag de high society, bijvoorbeeld in Hyde park in Londen, tijdens een boottocht in Venetië of op de ski’s in Sankt Moritz.

Willy Sluiter had het talent om op karakteristieke wijze, zeer vakkundig en met oog voor detail de alledaagse werkelijkheid weer te geven. Vaak op een humorvolle manier.

Willy Sluiter had veel succes in het buitenland. Zijn werk werd goed verkocht in de Angelsaksische landen, waar hedendaagse Hollandse kunst zeer gewild was. Veel liefhebbers van zijn werk zochten hem in Nederland op. Willy Sluiter kreeg diverse buitenlandse prijzen, waaronder een zilveren medaille op de wereldtentoonstelling in St. Louis-Verenigde Staten.

Schilderijen van Willy Sluiter o.a. in bezit van het Singer Museum Laren en het Dordrechts Museum.

Schilderijen Johan Dijkstra

Johan Dijkstra zijn artistieke milieu

Johan Dijkstra wordt gerekend tot de belangrijkste schilders van de Groninger Ploeg, een schilders collectief die furore zou maken met hun kleurrijke vertolkingen van het Groninger landschap. Johan Dijkstra groeide op in een kunstzinnig milieu, zijn vader was een decoratieschilder. Dankzij de  schilderskist van zijn vader begon Johan Dijkstra al op jonge leeftijd te schilderen. In 1916 schreef Johan Dijkstra zich in voor de academie Minerva. Hier leerde hij Marie van Veen kennen, zijn latere vrouw.
Op de Academie leerde Johan Dijkstra het meest van leraar F.H. Bach en zou zijn verdere leven met hem bevriend blijven. Bach nam Johan Dijkstra naar buiten om ‘en plein air’ te schilderen, bijvoorbeeld bij boerderij Blauwborgje naast het Reitdiep. Een plek waar hij nog vele keren zou terugkeren.In 1918 richtte Johan Dijkstra, samen met onder meer Jan Altink, George Martens en Jan Wiegers, de ‘Vereeniging Groninger kunstkring de Ploeg’ op. Een duidelijk gedachtegoed was er niet, de schilders wilden vooral breken met de verouderde kunstopvattingen en het Groninger kunstleven nieuw leven in blazen.

Schilderen met kleur en expressie

Vanaf 1920 experimenteerde Johan Dijkstra meer met kleur. Hij schilderde een periode in een pointillistische stijl en werd ook sterk beïnvloed door het werk Vincent van Gogh. Hij reisde veel door het Groninger land en legde het landschap met oogstende boeren vast , maar ook de eeuwenoude kerkjes in de dorpjes.Omstreeks 1925 begon Johan Dijkstra expressionistisch te schilderen, een stijl die Jan Wiegers via zijn contacten met Kirchner in Groningen introduceerde. Dijkstra werkte veel met wasverf, waarbij olieverf werd gemengd met wasbenzine. De verdunde verf droogde snel waardoor ‘laag op laag’ vlot konden worden aangebracht. Ook bleven de kleuren fel, waardoor vernissen overbodig was geworden en de werken een bijzondere matte uitstraling kregen.
De werken uit deze jaren, met zijn felle kleuren en vereenvoudigde vormen, tonen Johan Dijkstra’s ontzag voor de Duitse schilders van de Brücke en de Noorse schilder Edvard Munch. Vanwege geldgebrek beschilderde Johan Dijkstra geregeld beide kanten van het doek.Na 1930 is zijn meest heftige expressionisme voorbij en gaat Johan Dijkstra werken in een behoudendere stijl die het best kan worden omschreven als  ‘verhevigd impressionisme’. Na 1940 zijn geen sporen meer te vinden van het modernisme uit de twintiger jaren.

Het Groninger land

Zijn onderwerpen haalde Johan Dijkstra vooral uit het ongerepte Groninger landschap met zijn kenmerkende weidse akkers, wierden,  dijken, paden en dorpjes met rode huizen. Johan Dijkstra legde vooral de verdwijnende plekken vast en meed tekenen van opkomende industrialisatie, zoals telefoonpalen, spoor- en asfaltwegen.
In 1959 werd aan Johan Dijkstra de Culturele prijs voor de provincie Groningen toegekend. Werken van zijn hand zijn te zien in het Groningen Museum.