Herman Berserik schilder

Herman Berserik werd geboren in een gezin van drie kinderen. Vader Berserik had een schoonmaakbedrijf en schilderde in zijn vrije tijd. Ondanks het verzet van zijn ouders schreef Herman Berserik zich in voor de Haagse Tekenacademie. Daar kreeg hij onder andere les van Paul Citroen en Rein Drayer.

Na de Tweede Wereldoorlog reisde Herman Berserik naar Parijs om met eigen ogen de ontwikkelingen in de Franse schilderkunst te zien. Het bezoek resulteerde in expressionistische en gestileerde werken waarin de invloed de van École de Paris, Picasso en Braque onmiskenbaar is. Vaak zijn de werken uit deze periode vanaf een hoger perspectief geschilderd. Berserik voelde zich ook verbonden met de in Parijs woonachtige Japanse schilder Fouijta.

Herman Berserik koos na de oorlog voor een figuratieve wijze van schilderen. Dat was best een gewaagde keuze in een tijd waarin de abstracte schilderkunst in opkomst was. Hij sloot zich aan bij verschillende kunstenaarsgroepen, waaronder de Haagse Kunstkring, Pulchri Studio en ‘Verve’. Deze laatste groep bestond aanvankelijk uit figuratief werkende kunstenaars, maar later werd er ook abstract werk gemaakt door een aantal leden.

Herman Berserik maakte reizen naar Algerije en Syrië, maar deze zouden geen blijvende invloed op hem hebben. Hij zocht zijn motieven liever dichter bij huis, in zijn vertrouwde omgeving. Hij nam geleidelijk aan afscheid van zijn kubistische/expressionistische werkwijze en ging realistischer schilderen.

Herman Berserik kreeg een voorliefde voor ‘objets trouvés’; oude gebruiksvoorwerpen die hun functie hebben verloren.  Voor hem zat de schoonheid vaak in de eenvoud, de sobere uitstraling of de vergankelijkheid van een voorwerp. Bijvoorbeeld een bestofte stoommachine, oude klok, een petroleum lamp of een verweerde appel. Maar ook een afgedankte naaimachine, fiets, pop of ander gebruikt speelgoed. Dit thema werd ook door andere Verve leden opgepikt.

Een ogenschijnlijk onbeduidend voorwerp  of onderwerp werd door Herman Berserik uitgelicht; dat kon een voorbij rijdende tram zijn, maar ook een verlaten strand. Zijn werken ogen vaak humoristisch of nostalgisch, maar kunnen ook een dreigende ondertoon hebben of een desolate indruk maken. Veel haven- en riviergezichten schilderde hij vanuit zijn eigen boot. Naast bovengenoemde  voorstellingen maakte Berserik diverse zelfportretten.

Vanaf 1959 werkte de schilder in de herkenbare ‘Berserik stijl’ waarmee hij zo bekend is geworden. Naast zijn schilders werkzaamheden, was Berserik illustrator en ontwerper van toneeldecors en kostuums.  Ook was hij vanaf 1958 leraar aan de Haagse Academie van Beeldende kunst.

Herman Berserik won in 1952 en 1961 de Jacob Maris prijs. Werken van deze schilder bevinden zich onder meer in het Haags Gemeentemuseum en de Rijkscollectie.

Ben Walrecht een veelzijdig schilder

Ben Walrecht (1911-1980) is een multitalent met een grote passie voor water. Als zijn ouders omkomen bij een brand, wordt de jonge Ben Walrecht ondergebracht bij familie in Amsterdam. Hij keert terug naar zijn geboortestad Groningen en rondt er de kunstnijverheidsschool af. Samen met een vriend begint hij een reclamebureau. Daarnaast schildert hij. Wekelijks komen er kunstenaars naar zijn atelier om te tekenen naar model.

Ben Walrecht komt in aanraking met het Groninger expressionisme op een Ploeg-tentoonstelling in Pictura in 1934. Begin 1936 wordt Walrecht werkend lid van de Ploeg, de kunstenaarsvereniging in Groningen die zich onder meer sterk maakt voor betere tentoonstellingsmogelijkheden voor kunstenaars in de stad. In die tijd schildert Walrecht vooral portretten, Groninger stadsgezichten en landschappen waar vaak water een rol speelt.

Het hier getoonde schilderij is een fraai voorbeeld van die laatste twee voorkeuren. We zien het Schuitendiep in Groningen (gezien vanaf de St. Jansburg/St. Jansstraat in de richting van de Poelestraat), een thema dat hij vaker schildert. Kenmerkend voor Walrecht is zijn vlotte, impressionistische manier van schilderen. Met deze schilderstijl krijgt hij veel positieve kritieken in de pers.

Walrecht houdt van de vrijheid op het water. Hij koopt een schip waarmee hij in de zomers Nederland doorkruist, vaak in gezelschap van andere kunstenaars, waaronder De Ploeg-collega Johan Dijkstra. In de veertiger jaren verblijft Ben Walrecht veel in Amsterdam, waar de ‘Catherina’ vaak ligt aangemeerd aan de Keizersgracht.

Walrecht is een veelzijdig kunstenaar. Behalve schilder is Walrecht beeldhouwer, met een grote liefde voor verschillende materialen. Hij wint in 1939 de Willink van Collen prijs, een nationale kunstprijs die wordt toegekend aan schilders tot 35 jaar. Johan Dijkstra is het enige Ploeg lid die deze prijs ook wint.

In 195 verruilt Ben Walrecht Groningen voor – het waterrijke – Loosdrecht. Tot die tijd blijft hij een actief lid en zend regelmatig werken in voor ploeg-exposities.

Schilderijen van Ben Walrecht bevinden zich in het Zuiderzee museum en het Groninger museum.

Sierk Schröder schilder van portretten

Sierk Schröder wordt geboren op 6 april 1903 in Ambon, Nederlands Indië.  In 1909 verhuist de familie Schröder naar Rotterdam waar de vader van Sierk directeur wordt van een Zendingshuis. Hier blijven ze een aantal jaar wonen en verhuizen vervolgens naar Utrecht. In deze stad volgt Sierk Schröder de HBS waar hij zijn passie voor tekenen ontdekt. Om zich verder te ontplooien gaat Sierk in 1922 studeren aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag. Aan de academie volgt hij in de avonduren, naast de reguliere lessen, een cursus modeltekenen. Hier gaat zijn interesse naar uit en op deze manier kan Schröder zich nog beter bekwamen in zijn favoriete genre, portretschilderen.

Als Sierk Schröder in 1925 afstudeert vertrekt hij voor een jaar naar Parijs. Daar volgt hij lessen bij André Lhote, een Franse modernistische schilder. Als Schröder terugkeert naar Nederland gaat hij wonen in Den Haag. Om zich volledig op zijn vrije werk te kunnen richten zendt hij werk in voor de Koninklijke Subsidie die hij drie jaar achter elkaar met succes ontvangt. Ook blijft hij werken als illustrator bij een uitgeverij om geld bij te verdienen.

In Den Haag sluit Sierk Schröder zich aan bij het kunstenaarsgenootschap Haagsche Kunstkring waar hij in contact komt met andere schilders. Hij krijgt de mogelijkheid voor een  solotentoonstelling bij de Haagse kunsthandel d’Audretsch. Dit is meteen een succes, hij ontvangt veel waardering voor zijn werk. Al snel krijgt Sierk Schröder opdrachten om kinderen te portretten, maar ook personen uit de politiek en culture wereld.

Omdat hij door de vele opdrachten weinig tijd overhoudt om vrij te werken gaat Sierk reizen en wordt hij financieel ondersteund door een goede vriend. In de jaren vijftig doet Schröder mee aan vele tentoonstellingen in Nederland, onder meer in het Arnhems Gemeentemuseum, de Lakenhal in Leiden, het Singer Museum Laren en in Parijs.

Schröder gaat in 1960 werken als hoogleraar in de vrije schilderkunst aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. Hij richt zich in de jaren daarna steeds meer op zijn vrije werk, waar hij naast portretten van modellen in zijn atelier en figuurstudies ook landschappen en stillevens schildert.

Sierk Schröder kan beschouwd worden als een van de meest gevraagde portretschilder van de 20e eeuw. Hij heeft onder meer KLM-grondlegger Albert Plesman en Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen vastgelegd. Ook heeft Schröder een portret van Koningin Wilhelmina en koningin Beatrix geschilderd.

 

Anton Rooskens schilder uit de COBRA beweging

Anton Rooskens wordt op 16 maart 1906 in Griendtsveen geboren, een klein dorp in Limburg. Na een opleiding aan de technische school in Venlo gaat hij werken bij een instrumentenbouwer. Anton Rooskens is als schilder een autodidact die zijn inspiratie haalt uit het werk van Vincent van Gogh. Met expressionistische toets schildert hij het Limburgse landschap. Samen met andere schilders trekt hij eropuit om, net als zijn voorbeeld Van Gogh, met krachtige toets korenvelden, boerderijen en dorpsstraatjes vast te leggen.

In 1935 verhuist Anton Rooskens naar Amsterdam. Hier komt hij in contact met het werk van Constant Permeke, een belangrijke vertegenwoordiger van het Vlaams expressionisme. En met de kunstenaar Jan Sluijters die op dat moment een gevierd schilder is. Zijn kleurgebruik en manier van schilderen zijn van invloed op Anton Rooskens. Beide schilders zijn zeer actief, reislustig en hebben qua schilderstijl vele verschillende ontwikkelingen doorgemaakt.

Na een bezoek aan een tentoonstelling in het Rijksmuseum met beelden uit Nieuw-Guinea raakt Rooskens in de ban van de primitieve kunst. Zijn werken worden abstracter en tonen minder perspectief. Als  Anton Rooskens gevraagd om deel te nemen aan de tentoonstelling Jonge Schilders in het Stedelijk Museum krijgt zijn werk lovende kritieken. In 1947 gaat Anton Rooskens, net als Corneille en Karel Appel, naar Parijs. De stad waar op dat moment de vooruitstrevende kunstenaars van Ecole de Paris zoals Picasso en Braque actief zijn.

In 1948 is Anton Rooskens één van de oprichters van de Nederlandse Experimentele Groep. Samen met onder andere Constant, Corneille, Karel Appel en Eugène Brands vormen zij een groep waarbij wordt opgeroepen tot bevrijding van fantasie en creativiteit. Vooral Constant schrijft veel manifesten, een bekende uitspraak van hem is: ‘Een schilderij is niet een bouwsel van kleuren en lijnen, maar een dier, een nacht, een schreeuw, een mens of dat alles samen’. Eind 1948 gaat deze groep in Parijs over in de COBRA beweging.

De creativiteit en spontane manier van schilderen van de COBRA beweging is belangrijk voor de ontwikkeling van Anton Rooskens. Alleen gaat hij niet in navolging van Appel en Corneille naar Copenhagen om daar in contact te komen met Deense kunstenaars. Hij voelt zich meer aangetrokken tot Afrika en Zuid-Amerika.

Anton Rooskens wordt enkele keren uitgenodigd om deel te nemen aan de tentoonstelling voor de Salon Réalités Nouvelles in Parijs. Het werk dat hij toont zijn geometrische abstracte landschappen  met inheemse motieven. In de jaren zestig en zeventig komt de invloed van de COBRA signatuur weer tot uiting in zijn werk. Hij schildert fantasiedieren en net als Corneille het vogelmotief. Een symbool van een dynamisch teken van leven.

In 1976 en 1977 was er een overzichtstentoonstelling van Anton Rooskens te zien in Nederland, België en Duitsland.

Evert Pieters

Evert Pieters wordt in 1856 geboren in Amsterdam. Zijn ouders hebben het niet breed en om geld te verdienen moet Evert Pieters al op jonge leeftijd gaan werken. Hij kan aan de slag als hulp bij een huisschilder. Hij verhuist naar Den Haag om aan de slag te gaan als huisschilder en leert hier het decoratie schilderen. Om zich verder te bekwamen in het vak verhuist Evert Pieters op negentien jarige leeftijd naar Antwerpen om tekenlessen te volgen aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Na de academie krijgt hij les van Theodoor Verstraete, een Belgische kunstschilder van landschappen en marines.

Na vijftien jaar in België te hebben gewoond verblijft Evert Pieters, samen met zijn vrouw Marie van den Bossche, twee jaar in Parijs. Dit zijn belangrijke jaren voor zijn artistieke ontwikkeling. Hij komt in contact met de schilders van Barbizon, bezoekt tentoonstellingen van Franse impressionisten en ontvangt een gouden medaille voor zijn inzending op de Parijse salon. Deze erkenning betekent voor Evert Pieters dat hij zich volledig op het schilderen gaat richten. Zijn landschappen en stillevens worden direct goed verkocht, ook in Amerika en Canada.

In 1895 verhuist Evert Pieters naar Nederland en vestigt zich in Haarlem. Niet alleen de Franse impressionisten zijn een belangrijke inspiratiebron voor Pieters, ook de schilders van de Haagse School. Met vlotte penseelstreken schildert hij levendige taferelen. Pieters is geen voorloper op het gebied van kunstontwikkelingen, maar staat wel open voor vernieuwingen.

Net als veel van zijn tijdgenoten verblijft Pieters regelmatig in Volendam. Het schilderen van de vissers met hun robuuste voorkomen, de vrouwen in klederdracht, de spelende kinderen op het strand zijn geliefde onderwerpen. Vooral Amerikanen zijn zeer geïnteresseerd in deze oer Hollandse taferelen.

In 1897 koopt Evert Pieters een huis met atelier in Blaricum. Het Gooi is een geliefde plek voor veel schilders. Jozef Israels, Anton Mauve en Max Liebermann verblijven hier ook enige tijd om te schilderen op de heidevelden. In deze periode ontstaan de schilderijen van Evert Pieters met kinderen die bloemen plukken en zonnige tuingezichten met spelende kinderen. Zijn inzending , het schilderij met de titel In de Mei, voor de tentoonstelling van Levende Meesters in Amsterdam wordt aangekocht door de grote Amerikaanse kunstverzamelaar Edward Libbey. Hij is de oprichter van het Toledo Museum of Art in Ohio. Het museum heeft dit werk nog steeds in haar collectie.

In Nederland wordt zijn werk veelal verkocht door de belangrijke kunsthandel Buffa in Amsterdam. Met het geld dat hij verdient laat hij in Blaricum een nieuw atelier bouwen, met de naam ‘Aze Ick Kan’.

In navolging van de schilders Weissenbruch en Jacob Maris gaat Evert Pieters ook strand –en zeegezichten schilderen. In Katwijk vindt hij zijn inspiratie, daar schildert hij zijn welbekende strandgezichten met schelpenvissers. Het bevalt hem daar zo goed dat hij een huis met atelier laat bouwen in Katwijk en er gaat wonen. Zo heeft hij de mogelijkheid om zijn favoriete onderwerp veelvuldig vast te leggen. Vele kunstenaars zijn op dat moment actief in Katwijk, zoals Blommers, Jozef Israëls en Willy Sluiter.

In 1908 verhuist het echtpaar Pieters terug naar hun huis in Blaricum. Ze raken bevriend met het echtpaar Singer, Amerikaanse kunstverzamelaars die een  huis in Laren hebben. William en Anna Singer kopen regelmatig werk van hun vriend Evert Pieters. In de zomer schildert Pieters met vlotte toets zonnige tuingezichten waar ook zijn vrouw en Anna Singer soms zijn afgebeeld.

In Amerika is veel interesse voor de Hollandse meesters. Ook voor het werk van Evert Pieters en hij wordt uitgenodigd om naar Amerika te komen. Zo kan hij zijn werk nog beter onder de aandacht brengen bij grote Amerikaanse verzamelaars en musea.  In Nederland organiseert kunsthandel Buffa in 1914 een tentoonstelling met werk van Evert Pieters.

Pieters blijft in Blaricum in zijn atelier werken maar verhuist met zijn gezin in 1917 naar Laren waar hij, naast het woonhuis, een eigen atelier heeft. Hij blijft actief als schilder tot zijn overlijden in 1932.

Jan Roëde

Jan Roede wordt op 13 juni 1914 in Rotterdam geboren en groeit op in Den Haag. Hij volgt van 1930 tot 1932 een studie aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten en later aan de Vrije Academie. Na zijn opleiding werkt Roede een tijdje als reclametekenaar totdat hij in 1941 volledig voor het kunstenaarschap kiest.

Jan Roede krijgt in 1947 de mogelijkheid om naar Parijs te gaan. Hier vindt hij inspiratie bij kunstenaars van Ecole de Paris. Het fauvisme van Henri Matisse, het kubisme van Picasso en het surrealisme van Miro zijn van invloed op zijn manier van schilderen. Ook zag hij werken van de Jeunes Peintres de Tradition Française, een groep schilders die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog in Parijs bevonden. Omdat de Fransen zijn naam niet goed konden uitspreken, veranderde hij deze in Jan Roëde. In Parijs zal Jan Roëde verschillende keren succesvol exposeren.

Jan Roëde ontwikkelt na de oorlog een geheel eigen schilderstijl, waarin allerlei dieren en mensfiguren op speelse wijze zijn weergeven. Zijn werken doen denken aan kindertekeningen die niet met een bepaalde gedachtegang zijn gemaakt, maar tot stand komen met de nodige fantasie en spontaniteit.

Om deze reden wordt zijn werk vaak geassocieerd met het werk van zijn tijdgenoten van COBRA. Jan Roëde heeft echter niet mee gedaan met COBRA tentoonstellingen en deelt hun gedachtengoed niet. Jan Roëde wil met zijn kunst ontsnappen aan de werkelijkheid van het alledaagse bestaan. Hij streeft naar harmonie in zijn werk en schildert vooral op gevoel.

Jan Roëde is een colorist. Door middel van zijn heldere kleurgebruik ontstaat er in het werk van Roëde dieptewerking, waarbij de vlakken en lijnen met diepe achtergrondkleuren contrasteren met de koelere kleuren op de voorgrond.

Eind jaren vijftig schildert Jan Roëde meer zwevende figuren en objecten, die speels, luchtig en naïef aandoen. Later zijn de figuren prominenter aanwezig: ze zijn groot van formaat en worden frontaal op het doek geplaatst. Ook wordt zijn kleurgebruik in de tweede helft van de zestiger jaren feller.

In 1988 organiseert het Haags Gemeentemuseum een grote overzichtstentoonstelling, hierbij verschijnt de eerste monografie over het werk van Roëde. Het werk van Jan Roëde wordt door diverse kunsthandels verkocht en in 1999 wordt een overzichtsexpositie gehouden in het COBRA museum in Amstelveen.

Jan Roëde was naast kunstschilder ook illustrator en kostuum ontwerper. Daarnaast heeft hij  verhalen en gedichten geschreven. Roëde was lid van de Haagsche Kunstkring, de Posthoorngroep en Pulchri Studio.

Het werk van Jan Roëde is niet direct in te delen bij een bepaalde kunststroming. Zijn kunst wordt wel gerekend tot de Nieuwe Haagse School.

Simon Willem Maris schilder

Simon Willem Maris werd in 1873 in Den Haag geboren als de oudste zoon van de bekende Haagse School schilder Willem Maris.  Hij kreeg zijn eerste schilderlessen in het atelier van zijn vader. Net als zijn vader trok Simon Maris erop uit om de landschappen in de omgeving van Den  Haag en Rijswijk vast te leggen.

Maar Simon Willem Maris wilde zich verder ontplooien en volgde in 1892 zijn opleiding aan de Academie van Beeldende Kunsten in  Den Haag. Na drie jaar verruilde hij Den Haag voor Antwerpen om, geheel in de traditie van zijn familie, daar te verder te studeren. Zijn ooms, Jacob en Mathijs, hadden ook aan deze academie in Antwerpen gestudeerd. Na zijn opleiding  woonde Simon Willem Maris een tijdje in Parijs en trok door Italië. In 1900 kwam hij weer even terug in Nederland. Hier ontstonden, naast zijn landschappen, zijn eerste werken met zijn meest geliefde onderwerp: een moeder met haar kind. Maris maakte nog enkele studiereizen door Duitsland en Frankrijk en  vestigde zich uiteindelijk in Amsterdam.

In zijn atelier in Amsterdam schilderde Simon Maris modellen, vaak moeders die met vertederende blikken naar hun baby’s keken. De achtergrond bleef neutraal zodat de nadruk kwam te liggen op de intimiteit van de voorstelling. Deze schilderijen waren erg geliefd en werden door kunsthandel Buffa in Amsterdam verkocht. Via dit verkoopkanaal werd veel van zijn werk door Amerikanen aangekocht.

Simon Willem Maris nam actief deel aan het Amsterdamse kunstleven en had veel contact met andere schilders. Met Piet Mondriaan en Arnold Marc Gorter trok hij erop uit om langs rivier het Gein in Abcoude te gaan schilderen. In deze tijd werd zijn kleurgebruik lichter en zonniger, een duidelijke stijlbreuk met het ingetogen werk van zijn vader. Naast deze landschappen bleven portretten zijn favoriete onderwerp. Nadat hij 1908 trouwde met Cornelia den Breejen fungeerde zij vele malen als model, net als hun kinderen Mies en Thijs.

Simon Willem Maris had al snel veel succes met zijn portret schilderijen en werd dé portrettist van Amsterdam genoemd. Hij kreeg opdrachten van befaamde families en andere gezaghebbende personen. In de zomers werkte Maris in Zandvoort. Hier ontstonden onderwerpen als het mondaine strandleven, maar ook kinderen op het strand en schelpenvissers.

In 1942 werd bij Arti et Amicitiae in Amsterdam een overzichtstentoonstelling georganiseerd met werk van Willem en Simon Maris.

Ben Viegers schilderijen kopen

Ben Viegers werd in 1886 geboren in Den Haag. Het gezin woonde destijds aan De La Reykade. Omdat beide ouders van Ben Viegers werkten ging hij na schooltijd helpen in de koetsenmakerij van zijn grootvader. Hier leerde hij decoreren maar ook tekenen en verf mengen. Waarschijnlijk is dit de aanzet geweest voor Ben Viegers om zich verder te ontplooien als kunstenaar. Hij ontwikkelde zichzelf en werd toegelaten tot de Haagse Kunstkring. Hier kwam hij in contact met andere schilders, zoals Jan Toorop, de gebroeders Knikker en Charles Dankmeijer. In deze Haagse periode schilderde Ben Viegers veelal om inkomsten te genereren. Hij signeerde zijn werk wel maar dateerde sporadisch, waardoor er niet veel over Viegers zijn werk uit deze periode bekend is.

In 1938 trouwde Ben Viegers met Jo Jacobs die vaak voor hem model stond. Na het overlijden van Viegers zijn moeder kreeg hij de behoefte om zijn horizon te verbreden. Hij trok door het land en na vele omzwervingen ging het pasgetrouwde stel in Nunspeet wonen waar meer schilders waren neergestreken. Hij was een aimabele man en een echte levensgenieter. Ben Viegers genoot ervan om van  ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat erop uit te gaan om buiten te schilderen. In 1940 als de oorlog uitbreekt vertrekt Ben Viegers naar Castricum, hier schildert hij de duinen en zee. In 1943 keert hij terug naar Nunspeet waar hij in 1947 op zestigjarige leeftijd overlijdt.

Het werk van Ben Viegers wordt gerekend tot de nabloei van de Haagse School, maar feitelijk sloot zijn werk aan bij het impressionisme. Ben Viegers had niet de behoefte om mee te gaan met bepaalde kunststromingen of zich te bewijzen. Geïnspireerd door de Franse impressionisten schilderde hij veelal ongedwongen taferelen.

Hij trok er graag op uit om bedrijvige markten, pittoreske stadsgezichten en Scheveningse strandgezichten  te schilderen. Al tijdens zijn leven verkocht Ben Viegers schilderijen aan Amerikanen. In Nederlands was Kunsthandel Koch in Den Haag een belangrijk verkoop kanaal voor Ben Viegers. Dit waren veelal werken die hij in opdracht maakte, in zijn eigen werk kon hij zich meer artistieke vrijheid veroorloven.

Het gebruik van zonnige en lichte kleuren in combinatie met rake penseelstreken is het handelsmerk bij uitstek van Ben Viegers. Deze kwaliteiten kwamen goed tot zijn recht in de bollenvelden die hij schilderde. Het karakter van de bollenstreek kwam ook goed tot uiting in zijn werk: het rood, geel, roze en blauw van de bollenvelden, afgewisseld met vaarten, werkende mensen en boerderijen op de achtergrond. Dankzij de groeiende bollenteelt in het begin van de twintigste eeuw zal hij dergelijk werk goed verkocht hebben, maar ook nu zijn de kleurrijke bollenvelden zeer geliefd bij kunstkopers.

Jan Hoynck van Papendrecht een paardenschilder

Jan Hoynck van Papendrecht is zijn leven lang gefascineerd geweest door de pracht en praal van het militaire leven van weleer; historische en heroïsche legertaferelen van helden in kleurrijke uniformen. Daarbij specialiseert Hoynck van Papendrecht zich vooral in het afbeelden van paarden. Hij kan met recht een paardenschilder worden genoemd.

Altijd onberispelijk gekleed, een aristocratisch voorkomen én voorzien van een markante snor: Jan Hoynck van Papendrecht heeft zelf ook wel iets weg van een militair. In de verschillende ateliers die hij heeft gehad, omringt hij zich door militaire attributen.

Ondanks allerlei nieuwe ontwikkelingen in de kunst, blijft Jan Hoynck van Papendrecht trouw aan zijn natuurgetrouwe, realistische stijl. Hij is een scherp observator en als een soort chroniqueur tekent en schildert hij wat hij ziet: waarheidsgetrouw en gedetailleerd. Het hier getoonde schilderij is daar een goed voorbeeld van. Het vertelt het verhaal van de nationale trekpaardententoonstelling op 4 september 1923 op het Malieveld in Den Haag, ter gelegenheid van het 25-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina.

Op de achtergrond zijn drie monumentale panden aan de Prinsessegracht te herkennen. Geheel links loopt een vrouw in Zeeuws-Vlaamse klederdracht. Er wapperen Nederlandse vlaggen afgewisseld door oranje wimpels. Te zien is een deel van wat zich achter de coulissen van de show afspeelt: er staan trekpaarden te wachten, links draaft een paard onder begeleiding van een man uit. De festiviteiten duurden een week, van 31 augustus (de verjaardag van Koningin Wilhelmina) tot 6 september, de dag van haar inhuldiging in 1898.

Jan Hoynck van Papendrecht is zeer koningsgezind. Hij heeft goede banden met het koningshuis. Koningin Wilhelmina geeft hem meerdere opdrachten. Veel van deze werken zijn nog steeds in het bezit van de Oranjes, bijvoorbeeld de prachtige aquarel van de inhuldiging van koningin Wilhelmina in de Nieuwe Kerk in Amsterdam in 1898.

Schilderijen van Jan Hoynck van Papendrecht zijn in bezit van het Haags Gemeentemuseum en het Legermuseum in Delft.

Willem Roelofs schilder van de Haagse School

Willem Roelofs landschapsschilder

Willem Roelofs toont met het werk Landschap met koeien in het water zijn kunde om zelfs op klein formaat een grootse impressie te geven van koeien in een landschap. De onstuimige wind en de invloed ervan op de lucht en het landschap eronder zijn goed getroffen. Dat dit bij Willem Roelofs niet zonder slag of stoot ging blijkt bij voorbeeld uit zijn opmerking over het schilderen van een lucht: ‘Veel moeilijker dan de kleur van de lucht uit te drukken, is het nog. de welving ervan weer te geven en het vibreerende spel van de dampkring’.

Schilderen op klein formaat

Het kleine formaat doe in eerste instantie denken dat het om een buitenstudie gaat. Maar de nogal doorwerkte uitvoering van de voorstelling maakt het aannemelijker dat het hier een volwaardig klein schilderijtje betreft. Daarnaast schilderde Willem Roelofs zijn studies gewoonlijk op grotere formaten linnen. Het is bovendien bekend dat Roelofs, net als veel van zijn collega’s, ook regelmatig dergelijke kleine schilderijtjes maakte.

Het Nederlandse polderlandschap

Van het schilderij Landschap met koeien in het water is geen grote versie bekend. Het paneel dateert op zijn vroegst uit omstreeks 1885. In die tijd besloot Willem Roelofs, na ongeveer dertig jaar in Brussel te hebben gewoond, met zijn gezin naar Den Haag te verhuizen. In 1887 vestigde hij – 65 jaar oud- zich tegenover het Rijnspoorwegstation, het huidige Den Haag Centraal. Dankzij dat nabije trein – en tramverkeer kwamen zijn favoriete thema’s zo weer beter onder handbereik. Hoezeer Roelofs altijd verknocht bleef aan het Nederlandse polderlandschap bleek in 1894 tijdens een reis naar Zwitserland met zijn twee zoons. Hij vond het berglandschap formidabel, maar wilde het niet schilderen. Voor hem leende het meer bescheiden landschap, hoe onbeduidend ook, zich juist het beste voor schilderijen.

Willem Roelofs was de belangrijkste voorloper van de Haagse School. Hij heeft les gegeven aan onder andere Paul Gabriël en gaf raadgevingen aan Hendrik Willem Mesdag. Zijn werk is vertegenwoordigd in tal van Nederlandse musea.