Jan Altink wordt gerekend tot de belangrijkste schilders van de Groninger Ploeg. Hij was mederichter en de naamgever van deze in 1918 opgerichte expressionistische beweging.

Jan Altink genoot zijn opleiding aan de Academie Minerva in Groningen. Hij haalde de akte m.o. tekenen en ging in 1912 als leraar aan de slag op de avondvakteekenschool in Middelstum.

In zijn vroege periode schilderde Jan Altink veel buiten op aanraden van zijn Minerva leraar FH Bach. Het grijze palet van zijn leermeester klinkt door in het werk van Jan Altink. Na 1920 worden invloeden van Vincent van Gogh ook zichtbaar in het werk van Altink, die dan in een gematigde expressionistische stijl werkt.

Via Jan Wiegers, die in Davos in contact was gekomen met Ernst Ludwig Kirchner, leerde Jan Altink het Duits expressionisme kennen. Omstreeks 1923 zijn daar de eerste resultaten van te zien: Altink schildert met een grillige penseelvoering en werkt met een contrastrijk palet en een vlakmatige indeling. Het felle kleurgebruik is kenmerken voor deze fase in Jan Altink’s schilderkunst, die kan worden beschouwd als het hoogtepunt in zijn oeuvre.

In deze periode werkte Jan Altink, evenals andere Ploegleden, vaak met wasverf. Dat is een mengsel van olieverf, bijenwas en benzine dat dun aangebracht kon worden. Deze werkwijze was ook aan Kirchner ontleent.

Vanaf 1926 neemt Jan Altink afstand van zijn Kirchneriaanse schilderwijze, het expressionistische palet verdwijnt geleidelijk in zijn schilderkunst. Deze kentering is zowel in zijn portretten als landschappen waarneembaar. Hij schildert meer impressionistisch en werkt met meer op elkaar afgestemde lichte kleuren. In deze periode maakt Jan Altink diverse werken bij Blauwborgje en het Reitdiep, waarin mens en dier vaak afwezig zijn. De wat ijl aandoende werken doen denken aan die van collega Ploegschilder Job Hansen, met wie Altink in deze periode veel optrok.

In 1930 trouwt Jan Altink met Nelly Hubbeling. Vincent van Gogh is vanaf de dertiger jaren wederom een belangrijke bron van inspiratie. Jan Altink werkt in die periode noest door in het Groninger land en Drenthe. Ook ondernam hij verschillende reizen naar het buitenland, onder andere naar Zwitserland en Frankrijk.

In zijn latere periode viel de schilder soms in herhaling en werkte hij traditioneler, maar er ontstonden ook prachtige werken waaruit zijn bewondering voor het Groninger landschap tot uiting kwam. In de vijftiger jaren keerden de expressionistische kleuren weer enigszins terug in zijn werk.

Naast landschappen schilderde Jan Altink ook stillevens. Om extra inkomsten te verwerven, werkte hij ook als reclametekenaar en portrettist. Een hoogtepunt op dat laatste vlak was de opdracht om een statieportret van Koningin Juliana te maken in 1949. Jan Altink bleef tot aan zijn dood actief schilderen, het was zijn lust en zijn leven. Hij zij daar zelf eens over: als ik niet schilder, is het alsof ik nergens over kan praten.

Jan Atink was een betrokken lid van de Groninger Ploeg en zou diverse functies vervullen, waaronder secretaris, penningmeester en jurylid voor Ploegtentoonstellingen.

Werken van Jan Altink bevinden zich in het Groninger museum, Stedelijk museum Amsterdam en museum Belvedere in Heerenveen.