Arntzenius werd geboren in Soerabaja (Nederlands-Indië) en verhuisde omstreeks 1875 naar Nederland. Arntzenius volgde lessen aan de Amsterdamse Rijksacademie en kwam er in contact met medeleerlingen als Breitner en Isaac Israels. Later verhuisde Arntzenius met zijn moeder naar Den Haag en zou er tot zijn dood blijven wonen en werken. Arntzenius was evenals de in Amsterdam werkende Breitner gefascineerd door het leven in de stad. De regenachtige Haagse straatjes met winkelende figuren, de bespannen paarden met koetsjes en het Scheveningse strand boden Arntzenius eindeloos stof tot schilderen.

Arntzenius toonde minder belangstelling in het Scheveningse vissersleven dan zijn oudere collega’s van de Haagse School. Waarschijnlijk vond Arntzenius dat het onderwerp vaak genoeg was vastgelegd. Mogelijk was de aanleg van de haven in 1904 ook een oorzaak. Het vertrouwde strandbeeld met zijn bomschuiten en visverkoop was daardoor voorgoed verleden tijd.

Tussen 1897 en 1910 schilderde Arntzenius verschillende keren langs het kanaal naar Scheveningen en aan de Haringkade. Op deze aansprekende aquarel is het binnenhaventje aan de Haringkade weergegeven, gezien in de richting van Den Haag. Het is een drukte van belang in de haven. Rechts wandelen diverse figuren langs de kade en links liggen diverse beurtschepen met hoge masten aangemeerd. De boten werden indertijd voornamelijk gebruikt voor het vervoer van haring naar het binnenland. Diverse tonnen zijn in- en uitgeladen om naar hun eindbestemming te worden gebracht.

Arntzenius was duidelijk geboeid door de bedrijvigheid rond de kade. Arntzenius had echter ook oog voor atmosferische effecten van de grijzige lucht die met vlotte impressionistische toetsen is neergezet.

Door de opkomst van het wegtransport in de 20e eeuws raakte de beurtvaart uit zwang en de binnenhaven werd rond 1970 gedempt. Arntzenius heeft dus een bijzonder tijdsdocument in beeld gebracht van zijn geliefde stad Den Haag.