Henriëtte Ronner-Knip kwam uit een familie met veel kunstschilders. Ook haar vader verdiende de kost met de schilderkunst. Hij was het die haar de kneepjes van het vak leerde. Dit was opmerkelijk, omdat de vader van Henriëtte Ronner-Knip aan een progressieve oogziekte leed, die maakte dat hij blind werd. Ook haar moeder werd ziek en mocht niet meer in de stad wonen. De familie trok naar het platteland. Noodgedwongen schilderde de jonge Henriëtte scènes op en rond het boerenerf. In 1836, toen zij vijftien jaar was, verkocht zij haar eerste schilderij op een tentoonstelling van Levende Meesters. Toen werd zij al geroemd om de prachtig weergegeven dieren met glanzende ogen en wollige vachten. In 1850 vertrok zij, inmiddels getrouwd met Feico Ronner, naar Brussel. Bij aanvang van haar Brusselse periode schilderde ze vaak honden en maakte zelfs een portret van de hond van de koning van België. Na 1870 legde ze zich vooral toe op het uitbeelden van katten en poezen. Het werk van Henriëtte Ronner-Knip was direct al heel geliefd bij het publiek in zowel binnen- als buitenland en is ook nu te vinden in diverse musea.




















































