In de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw was Harmen Meurs een zeer gewaardeerde schilder, die bovendien een actieve rol speelde in het introduceren van nieuwe kunststromingen in Nederland. Zo organiseerde hij in het Stedelijk Museum te Amsterdam in 1929 resp. 1930 tentoonstellingen van de Neue Sachlichkeit uit Duitsland en van het surrealisme uit Frankrijk en België. Vanaf 1919 woonde hij in Amsterdam. Na de opkomst van de nazi’s in Duitsland maakte hij naast zijn gewone werk antifascistische schilderijen die echter ‘wegens belediging van een bevriend land’ niet geëxposeerd mochten worden. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog vestigde hij zich met zijn Joodse vrouw op de Veluwe, in de buurtschap Speuld bij Ermelo. Toen heeft hij ook een groot deel van zijn antifascistische werk vernietigd. Na de oorlog hoorde men weinig meer van hem, tot de tentoonstelling Magie en zakelijkheid, realistische schilderkunst in Nederland 1925-1945 uit 1999 hem terecht uit de vergetelheid haalde.




















































